Pelecaniformes Phalacrocoracidae Aalscholver (Phalacrocorax carbo)
[order] Pelecaniformes | [family] Phalacrocoracidae | [latin] Phalacrocorax carbo | [UK] Cormorant | [FR] Grand Cormoran | [DE] Kormoran | [ES] Cormoran grande | [IT] Cormorano | [NL] Aalscholver

Grote, donkere watervogel die zich hoofdzakelijk met vis voedt. Staat vaak met gespreide vleugels. Zwemt met rechte hals en opwaarts gerichte kop; lichaam diep in water. Vliegt laag in wig- of lijnformaties. Duikt naar vis. Rust vaak in grote dichte groepen op zandbanken, rotsen, palen of in bomen. Maakt in broedkolonies gakkende geluiden, elders is hij zwijgzaam. Nest van zeewier, riet of twijgen; de nestbomen sterven af door uitwerpselen. Typisch aan de aalschover is het drogen van de vleugels na een duik.
| Algemene fysieke kenmerken en broed gegevens |
| spanwijdte - |
121 |
cm |
spanwijdte + |
149 |
cm |
| grootte - |
77 |
cm |
grootte + |
94 |
cm |
| incubatie - |
28 |
dagen |
incubatie + |
31 |
dagen |
| nestduur - |
45 |
dagen |
nestduur + |
53 |
dagen |
| legsels: |
1 |
|
eieren - |
3 |
|
| |
|
|
eieren + |
5 |
|
De Aalscholver is een talrijke broed- en kolonievogel in Flevoland. De kolonies van de Lepelaarsplassen en de Oostvaardersplassen behoren tot de grootste van het land. Sinds jaar en dag wordt de Aalscholver gezien als een bedreiging voor de beroepsvisserij, met name door palingboeren en sportvissers. Uit een recent onderzoek (zie aviflevoland nieuwsarchief) uitgevoerd bij twee kolonies in het IJsselmeer (waaronder de kolonie in de OVP) blijkt slechts een fractie van het voedsel uit paling te bestaat.
De aalscholver zit vaak met uitgespreide vleugels op een paaltje bij het water. Reden hiervoor is dat de aalscholver, in tegenstelling tot andere zwemmende en duikende vogels, geen beschermende en waterafstotende vetlaag op de veren heeft en dus na iedere zwemtocht moet drogen om weer te kunnen vliegen.
De in Nederland broedende ondersoort van de Aalscholver Phalacrocorax carbo sinensis broedt vooral in bomen (vooral wilgen, elzen en populieren) en andere verticale landschapselementen zoals hoogspanningsmasten en boorplatformen in de buurt van visrijke wateren in het binnenland en langs de kust, maar ook grondnesten komen voor. Vooral het IJsselmeergebied vormt een belangrijk broedgebied. Daarnaast zijn er belangrijke kolonies in Zuid-Holland en Overijssel en verschillende kleinere kolonies verspreid over het land. Aalscholvers zijn viseters die vaak in grote groepen en tot op grote afstand van de kolonie (tot 60 km) foerageren. In het najaar zijn vooral het Wadden-, het IJsselmeer- en Deltagebied van belang als slaap- dan wel foerageergebied. Tijdens de winter maakt de soort gebruik van zeer uiteenlopende rustgebieden, zoals zandbanken, rotsen, platgeslagen rietvelden, bomen, palen, strekdammen en menselijke constructies zoals huizen, schepen, boeien en hoogspanningsmasten. Vooral in het IJsselmeergebied, langs de grote rivieren, in het Deltagebied en in de Biesbosch verblijven ’s winters grote aantallen.
This species has a large range, with an estimated global Extent of Occurrence of 10,000,000 km². It has a large global population estimated to be 1,000,000-1,600,000 individuals (Wetlands International 2002). Global population trends have not been quantified, but the species is not believed to approach the thresholds for the population decline criterion of the IUCN Red List (i.e. declining more than 30% in ten years or three generations). For these reasons, the species is evaluated as Least Concern. (bron Birdlife.org)
De Aalscholver is een migrant in de meest Noordelijke broedgebieden. In de overige delen, waaronder Nederland, standvogel of met een beperkte verspreiding tijdens de winter. In de gematigde gebieden wordt regelmatig overwinterd binnen het broedgebied, alhoewel er wel sprake is van migratie. De hier aanwezige Aalscholvers migreren uitsluitend bij voedselgebrek, bijvoorbeeld door dichtgevroren wateren. Over het algemeen verblijft de Aalscholver dicht bij de broed- en voedselgebieden, trekt soms landinwaarts.
Inventarisatie
Begin mei tot half juli. Gehele dag.
Methode
Minimaal eenmaal bezette nesten tellen tussen 1 mei-30 juni, zo mogelijk tweemaal (in mei en eind juni). Let op voedselvluchten (tot meer dan 10 km van de kolonie) en invallende vogels op potentiële broedplaats. Grote of onoverzichtelijke kolonies verdelen in trajecten (teken in op kaart) en aantal per traject tellen of schatten. Na de bladval in het najaar eventueel controle uitvoeren (zijn er sinds de laatste telling nesten bijgebouwd?).
Interpretatie
Hoogste aantal bezette nesten aanhouden. Door stormschade, verstoring e.d. soms verplaatsing in het seizoen. Fusie-afstand 500 m.
Bijzonderheden
Let op nieuwe vestigingen, vaak op locaties met concentraties (slaapplaatsen). Biotoop: moerasbos, maar ook duinbodem (Waddeneilanden), kunstmatige eilanden, platforms e.d.